1966–1971: Het ontstaan en de opening van de Flevohof

Op vrijdag 21 mei 1971 om precies 06.49 uur liet prinses Beatrix op de Flevohof een enorme wekker rinkelen. Daarmee opende zij een park waaraan jarenlang was gewerkt en waarvoor grote delen van de Nederlandse landbouw de krachten hadden gebundeld. Wat die ochtend voor het publiek begon, was al in de jaren zestig ontstaan als een ambitieus plan: één permanente plek waar de Nederlandse landbouw zich aan het grote publiek kon presenteren.

De Flevohof was dan ook niet bedacht als pretpark. Het moest een nationale etalage worden voor landbouw, tuinbouw, veeteelt, verwerking en handel. Toch zat recreatie vanaf het begin in het plan verweven. Om honderdduizenden Nederlanders kennis te laten maken met de landbouw moest er immers ook iets te beleven zijn. Juist die combinatie zou later van grote betekenis blijken voor de ontwikkeling van de Flevohof.

Een permanente landbouwmanifestatie

Het idee achter de Flevohof ontstond in een periode waarin de Nederlandse landbouw snel veranderde. Mechanisatie, schaalvergroting en nieuwe productiemethoden veranderden het boerenbedrijf, terwijl een steeds groter deel van de bevolking in steden woonde en verder van de landbouw af kwam te staan.

Een tijdelijke landbouwtentoonstelling kon het publiek laten zien waar voedsel vandaan kwam en hoe de landbouw zich ontwikkelde. De initiatiefnemers wilden echter verder gaan. Hun ideaal was een permanente landbouwmanifestatie: een groot terrein waar landbouwbedrijven daadwerkelijk zouden produceren, waar producten verwerkt en verkocht konden worden en waar bezoekers het hele jaar door kennis konden maken met de Nederlandse agrarische sector.

Daarbij werd breed gedacht. Niet alleen boeren en tuinders moesten zich presenteren. Ook de verwerkende industrie, handel, coöperaties en andere organisaties rond de landbouw kregen een plaats in het concept.

De kern van het oorspronkelijke plan: de Flevohof moest een permanente presentatie worden van de agrarische productie, verwerking en handel in Nederland. Voorlichting stond centraal, maar recreatie mocht worden ingezet om het publiek bij die presentatie te betrekken.

1966: een plek in het nieuwe Flevoland

In 1966 kregen de plannen steeds concretere vormen. Oostelijk Flevoland was nog jong en volop in ontwikkeling. Juist die nieuwe polder bood iets wat elders nauwelijks te vinden was: veel ruimte, moderne landbouw en de mogelijkheid om vrijwel vanaf een leeg vel een groot complex te ontwerpen.

De initiatiefnemers overlegden met onder meer de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders over de vestigingsplaats en het benodigde terrein. Er werd niet alleen gekeken naar de landbouwbedrijven zelf. Al in de vroege plannen kwamen ook paviljoens, horeca, parkeerterreinen en recreatieve voorzieningen voor.

Dat is achteraf belangrijk. De recreatieve kant van de Flevohof werd niet pas jaren na de opening toegevoegd omdat landbouw alleen onvoldoende bezoekers trok. Al tijdens de voorbereiding begreep men dat een succesvolle publieksmanifestatie méér moest bieden dan alleen informatiepanelen en demonstratiebedrijven.

1967: Stichting De Flevohof wordt opgericht

Een belangrijk moment volgde op 14 september 1967. In Hotel Europa in Scheveningen werd de oprichtingsvergadering gehouden van Stichting De Flevohof.

De samenstelling van de vergadering laat goed zien hoe breed het project werd gedragen. Vertegenwoordigers van productschappen, landbouworganisaties, coöperaties, banken, industrie en overheid waren aanwezig. Sectoren als zuivel, vee en vlees, aardappelen, pluimvee, suiker, veevoer, groente en fruit waren bij de organisatie betrokken.

De Flevohof was daarmee veel meer dan het project van één ondernemer. Vrijwel de gehele georganiseerde Nederlandse landbouw moest eraan bijdragen.

In de statuten werd vastgelegd dat de stichting zich zou richten op het algemeen belang van de Nederlandse landbouw. Dat moest onder meer gebeuren door:

  • een permanente presentatie van de agrarische productie;
  • het tonen van verwerking en handel;
  • het bevorderen van voorlichting over de Nederlandse landbouw;
  • samenwerking met organisaties die hetzelfde doel nastreefden;
  • en het betrekken van een recreatief element wanneer dat de doelstellingen van de stichting bevorderde.

Dat laatste onderdeel is opvallend. De latere spanning tussen landbouw en recreatie zat in zekere zin al in de oorspronkelijke opzet ingebouwd. De landbouw stond voorop, maar recreatie moest bezoekers trekken en hun verblijf aantrekkelijk maken.

Een miljoenenproject

De plannen waren enorm. De Flevohof moest beschikken over echte landbouwbedrijven, tentoonstellingsgebouwen, paviljoens, horecavoorzieningen, winkels, infrastructuur en recreatieterreinen. Daarvoor waren miljoenen guldens nodig.

De financiering werd een ingewikkelde puzzel. Geld kwam niet uit één enkele bron. De organisatie probeerde kapitaal bijeen te brengen via onder meer:

  • deelnemers uit de landbouwsector;
  • productschappen en coöperaties;
  • banken en hypothecaire leningen;
  • subsidies;
  • bijdragen en leveringen in natura;
  • kortingen van leveranciers en bouwbedrijven;
  • en aanvullende kredieten.

In de eerste financiële schema’s ging het al om bedragen van ruim boven de tien miljoen gulden. Naarmate de plannen verder werden uitgewerkt, namen ook de benodigde investeringen toe.

Dat zou later een belangrijke rol spelen in de geschiedenis van de Flevohof. Veel bijdragen waren namelijk geen vrijblijvende schenkingen. Er werd ook gewerkt met rentedragende deelnemersleningen en hypotheken. Nog voordat de eerste betalende bezoeker binnenkwam, kreeg de toekomstige exploitatie dus al te maken met rente, aflossingen en hoge vaste lasten.

Van tekentafel naar bouwterrein

In 1968 en 1969 veranderde het project langzaam van een organisatie op papier in een daadwerkelijk bouwplan. Architecten werkten aan het hoofdrestaurant, de paviljoens en de verschillende landbouwbedrijven. Ook infrastructuur, parkeerplaatsen en recreatieve voorzieningen moesten worden ingepast.

De landbouwbedrijven waren een essentieel onderdeel van het concept. Het moesten geen decorstukken worden, maar echte bedrijven waar bezoekers konden zien hoe de Nederlandse landbouw functioneerde. Tegelijk moesten die bedrijven geschikt zijn om grote aantallen bezoekers te ontvangen.

Dat maakte de gebouwen en bedrijfsvoering vanzelfsprekend duurder dan bij een normaal agrarisch bedrijf. Een stal, kas of landbouwschuur moest niet alleen praktisch functioneren, maar ook onderdeel zijn van een presentatie voor het publiek.

In oktober 1969 werd een belangrijke bouwvergunning verleend voor de permanente bebouwing. Daaronder vielen onder meer het veeteeltbedrijf, een landbouwschuur, het hoofdrestaurant, het kinderdorp en woningen.

De Flevohof begon daarmee steeds meer de vorm aan te nemen die bezoekers enkele jaren later zouden leren kennen.

Niet alleen kijken, maar beleven

Hoewel landbouwvoorlichting centraal stond, werd tijdens de voorbereiding voortdurend nagedacht over de manier waarop bezoekers het enorme terrein zouden beleven.

Er moesten restaurants en verkooppunten komen, maar ook recreatieterreinen en voorzieningen waar bezoekers konden ontspannen. Het uitgangspunt was dat een gezin gemakkelijk een groot deel van de dag op de Flevohof moest kunnen doorbrengen.

Dat was belangrijk voor het oorspronkelijke concept. Wie alleen enkele landbouwbedrijven of tentoonstellingen wilde bekijken, zou waarschijnlijk snel weer vertrekken. Door informatie, demonstraties, horeca, groen en recreatie met elkaar te combineren moest een compleet dagje uit ontstaan.

De kiem van het latere attractiepark lag daarmee al in de oorspronkelijke Flevohof. Niet omdat men in de jaren zestig een pretpark wilde bouwen, maar omdat men besefte dat educatie en recreatie elkaar nodig hadden om een massaal publiek te bereiken.

1970: bouwen en ondertussen geld zoeken

In 1970 kwam de bouw in een beslissende fase. Tegelijk bleef financiering een voortdurend aandachtspunt. Het bouwtempo was hoog en de uitgaven liepen vooruit op de inkomsten en toegezegde bijdragen.

In de bestuursstukken wordt regelmatig gesproken over liquiditeit, tijdelijke kredieten, subsidies en het versneld innen van bijdragen van deelnemers. Het project was inmiddels te ver gevorderd om eenvoudig te verkleinen of stil te leggen. De Flevohof moest af.

Ondertussen werd ook gewerkt aan de praktische organisatie van het toekomstige park. Personeel moest worden aangetrokken, horeca en winkels moesten worden ingericht en er moest worden nagedacht over kaartverkoop, parkeren, schoonmaak en bezoekersstromen.

Daarmee veranderde Stichting De Flevohof langzaam van een bouw- en landbouwproject in een organisatie die binnen korte tijd honderdduizenden bezoekers moest kunnen ontvangen.

1971: de Flevohof maakt zich op voor het publiek

In het voorjaar van 1971 kwam het moment waarop duidelijk moest worden of het jarenlange plan ook werkelijk publiek zou trekken.

Een proefopenstelling gaf daar al snel antwoord op. Ongeveer 18.000 bezoekers kwamen naar het terrein. De belangstelling was zo groot dat direct duidelijk werd dat verschillende voorzieningen, waaronder de parkeercapaciteit, aan de krappe kant waren.

Het was een voorproefje van wat enkele weken later zou gebeuren.

21 mei 1971: opening om 06.49 uur

Vrijdagmorgen 21 mei 1971 vond de officiële opening plaats. Prinses Beatrix en prins Claus waren daarvoor in alle vroegte naar de Flevohof gekomen.

Om precies 06.49 uur liet prinses Beatrix een grote wekker rinkelen. Op hetzelfde moment begonnen ook de reiswekkertjes te rinkelen die ongeveer duizend genodigden hadden ontvangen.

Daarna vertrokken 24 jongens en meisjes met manden vol producten uit Flevoland naar de twaalf provinciehoofdsteden. De symboliek was duidelijk: vanuit het nieuwe landbouwgebied in Flevoland gingen de producten van het land het hele land in.

Het uitzonderlijk vroege tijdstip was bewust gekozen. De opening moest het karakter krijgen van een echte dag op het land. Op een boerenbedrijf begint de werkdag immers niet pas halverwege de ochtend.

21 mei 1971 – 06.49 uur
Prinses Beatrix opent de Flevohof door een enorme wekker te laten rinkelen. Een project waaraan jarenlang door tientallen landbouworganisaties, bedrijven en overheidsinstanties is gewerkt, gaat officieel voor het publiek open.

Een onverwacht groot succes

Na de opening bleek vrijwel onmiddellijk hoe groot de belangstelling voor de Flevohof was.

Op 10 juni 1971, nog geen drie weken na de opening, waren al ongeveer 219.530 bezoekers geregistreerd. Op 19 augustus stond de teller al rond de 765.000 bezoekers.

Op extreem drukke dagen kwamen ongeveer 24.000 mensen naar het park. Honderden touringcars brachten groepen uit heel Nederland naar Biddinghuizen.

Het succes was groter dan waarop de jonge organisatie was voorbereid. Parkeerterreinen liepen vol en op drukke dagen moesten aanvullende terreinen worden gebruikt. Restaurants en verkooppunten konden de toestroom nauwelijks verwerken en ook schoonmaak, afvalverwerking en onderhoud werden zwaar belast.

Het probleem van de Flevohof was in het openingsjaar dus bepaald niet dat niemand geïnteresseerd was in landbouw.

Bijna een miljoen bezoekers in zeven maanden

Aan het einde van 1971 kon een indrukwekkend cijfer worden opgemaakt. Tussen de opening in mei en het einde van het jaar bezochten 962.996 mensen de Flevohof.

Voor een geheel nieuw park, dat bovendien maar een deel van het kalenderjaar geopend was geweest, was dat een uitzonderlijk resultaat.

MomentBezoekersaantal
Proefopenstelling 1971circa 18.000
10 juni 1971219.530
19 augustus 1971circa 765.000
Heel 1971 vanaf de opening962.996

Het publiek bleef bovendien langer op het terrein dan vooraf was voorzien. Dat was positief, maar veroorzaakte ook praktische problemen. Een parkeerplaats die ’s morgens werd ingenomen, kwam vaak pas aan het einde van de middag weer vrij. Daardoor kon dezelfde parkeerplaats nauwelijks meerdere keren per dag worden gebruikt.

Ook in de horeca ging omzet verloren omdat op topdagen simpelweg niet iedereen snel genoeg kon worden bediend.

Het succes zorgt voor nieuwe problemen

Het eerste seizoen maakte twee dingen duidelijk.

Ten eerste had het oorspronkelijke idee achter de Flevohof aantrekkingskracht. Honderdduizenden Nederlanders wilden zien, proeven en beleven hoe landbouw, voedselproductie en het buitenleven eruitzagen.

Maar het openingsjaar liet tegelijkertijd zien dat de Flevohof een ingewikkeld bedrijf was geworden. Een nationale landbouwmanifestatie met echte agrarische bedrijven moest ineens ook functioneren als een van de drukste recreatieve bestemmingen van Nederland.

Daarom ontstonden vrijwel direct plannen voor uitbreiding. Meer parkeerplaatsen, een groter restaurant, extra verkooppunten en verbeteringen aan de exposities moesten ervoor zorgen dat de enorme bezoekersstroom beter kon worden verwerkt.

Juist daar begon een nieuwe fase in de geschiedenis van de Flevohof. Het spectaculaire succes van 1971 leidde tot nieuwe investeringen en hoge verwachtingen voor de toekomst. Tegelijk werd de Flevohof steeds afhankelijker van bezoekersaantallen, horeca en andere commerciële inkomsten.

De vraag werd daarmee steeds belangrijker: was de Flevohof in de eerste plaats een landbouwmanifestatie, of ontwikkelde het park zich langzaam tot een recreatiebedrijf?

Dat spanningsveld zou al in 1972 voor het eerst zeer duidelijk zichtbaar worden.