Halverwege de jaren tachtig stond de Flevohof voor een ingewikkelde opgave. Het park beschikte over een enorm terrein, landbouwbedrijven, tentoonstellingsgebouwen, horeca, recreatie, parkeerterreinen en een naam die vrijwel iedere Nederlander kende. Tegelijk bood het oorspronkelijke concept van een permanente landbouwmanifestatie steeds minder zekerheid voor de toekomst. De Flevohof moest daarom niet alleen meer bezoekers zien te trekken, maar vooral uitvinden hoe het enorme complex op nieuwe manieren kon worden gebruikt.
De oplossing werd in verschillende richtingen gezocht. In 1984 en 1985 werd geïnvesteerd in infrastructuur voor grote evenementen, waarna plannen ontstonden voor een omvangrijke multifunctionele hal. Tegelijkertijd bleef de gewone exploitatie van de Flevohof kwetsbaar en werd steeds kritischer gekeken naar bezoekersaantallen, bestedingen, kosten en investeringen. In 1988 mondde die zoektocht uit in een fundamentele discussie over de toekomst van het hele bedrijf.
Het resultaat was een opvallende periode vol tegenstellingen. Flevohof wilde financieel voorzichtiger worden, maar onderzocht tegelijkertijd projecten van tientallen miljoenen guldens. De organisatie hield vast aan haar landbouwkundige oorsprong, maar dacht ondertussen na over congressen, sportwedstrijden, evenementen en honderden vakantiebungalows. De centrale vraag was niet langer alleen hoe de Flevohof kon blijven bestaan, maar vooral wat voor Flevohof er in de jaren negentig nog moest bestaan.
1984 en 1985: Flevohof bouwt verder aan de evenementenfunctie
In de jaren daarvoor had de Flevohof steeds meer ervaring opgedaan met grote bijeenkomsten en manifestaties. Het terrein was gebruikt voor onder meer jubilea, Landbouw ’82, de Game Fair en vanaf 1983 het Flevo Totaal Festival. Zulke evenementen brachten soms duizenden of zelfs tienduizenden mensen naar Biddinghuizen en bewezen dat Flevohof méér kon zijn dan alleen een bestemming voor een traditioneel dagje uit.
Daar stond tegenover dat de oorspronkelijke infrastructuur nooit voor zulke piekbelastingen was ontworpen. Duizenden deelnemers konden tegelijkertijd arriveren en vertrekken, evenemententerreinen moesten ook bij slecht weer bruikbaar blijven en grote aantallen auto’s moesten een plaats krijgen. Daarom werden in 1984 en 1985 nieuwe aan- en afvoerwegen aangelegd, werd riolering en drainage aangebracht en kwamen er parkeer- en andere voorzieningen waarmee ongeveer 30.000 bezoekers konden worden verwerkt. Ook tribunes en voorzieningen voor grote buitenmanifestaties maakten deel uit van deze ontwikkeling.
Daarmee kreeg een deel van de Flevohof feitelijk een tweede bestemming. Naast landbouwbedrijven, tentoonstellingen, tuinen en dagrecreatie ontstond een groot evenemententerrein waarop andere organisaties hun eigen activiteiten konden organiseren. Flevohof verkocht daardoor niet langer uitsluitend een eigen dagprogramma, maar ook ruimte, infrastructuur, horeca en organisatorische mogelijkheden aan externe partijen.
Een opvallend breed evenementenbedrijf
De mogelijkheden die Flevohof inmiddels bood waren bijzonder breed. In de plannen worden vee- en paardenkeuringen, beurzen, tentoonstellingen, dealerdagen, landbouwmanifestaties en levensmiddelenbeurzen genoemd, maar ook sport, vliegwedstrijden en grote publieksbijeenkomsten. Massabijeenkomsten konden ongeveer 6.000 tot 10.000 deelnemers trekken, voor trekker-trek werd gesproken over ongeveer 12.000 bezoekers en volkstuindagen konden zelfs rond de 30.000 bezoekers naar het terrein brengen.
Dat veranderde ook de economische betekenis van Flevohof. Een organisatie die een bijeenkomst op het terrein hield, bracht zelf een publiek mee. Die bezoekers konden vervolgens gebruikmaken van de bestaande restaurants, verkooppunten, parkeerplaatsen en andere voorzieningen. De enorme hoeveelheid grond, die bij het gewone dagbezoek ook een kostbare last kon zijn, werd voor grote evenementen ineens juist een belangrijk voordeel.
Flevohof begon daarmee feitelijk een tweede product te verkopen. Naast het eigen dagje Flevohof ontstond een bedrijf dat ruimte, infrastructuur, horeca en organisatiecapaciteit kon aanbieden voor grote landelijke evenementen.
Er bleef één groot probleem: een dak
De evenementenfunctie had echter een duidelijke beperking. Flevohof beschikte over enorme hoeveelheden buitenruimte, maar niet over één gebouw waarin enkele duizenden mensen tegelijkertijd konden worden ontvangen. Voor grote bijeenkomsten moesten daardoor tijdelijke voorzieningen worden gehuurd en opgebouwd, wat de organisatie kostbaar en afhankelijk van het weer maakte.
Het probleem was niet theoretisch. Flevohof kreeg in de loop der jaren aanvragen voor grote bijeenkomsten die niet konden worden aangenomen omdat een overdekte ruimte voor minstens 3.000 tot 4.000 mensen ontbrak. Juist de ervaringen met grote evenementen uit de periode 1978–1983 waren aanleiding om serieus te onderzoeken of een permanente multifunctionele hal mogelijk was.
Het idee was al eerder onderwerp geweest van studieprojecten binnen universitair en hoger technisch onderwijs. Daarbij waren programma’s van eisen opgesteld waarin rekening werd gehouden met de verschillende soorten evenementen waarvoor organisaties in de loop der jaren bij Flevohof hadden aangeklopt. Een belangrijk uitgangspunt was bovendien dat de toekomstige hal zo veel mogelijk als zelfstandige eenheid moest kunnen functioneren.
1986: een fokveemanifestatie maakt het plan concreet
In 1986 kwam een concrete aanleiding om de plannen verder uit te werken. Het Nederlands Rundvee Syndicaat informeerde naar de mogelijkheid om bij Flevohof een grote nationale fokveemanifestatie te organiseren. Dankzij de eerdere studies kon nu veel nauwkeuriger worden berekend wat een geschikte overdekte accommodatie technisch en financieel zou betekenen.
Er ontstonden verschillende varianten. Voor een kleinere oplossing werd onder meer gekeken naar een aanbouw bij de bestaande Akkerbouwhal. Daarmee kon gebruik worden gemaakt van infrastructuur die al op het terrein aanwezig was en kon de ontsluiting via nieuwe parkeerplaatsen bij de trekker-trekbaan naar de dienstweg en de Spijkweg worden geregeld.
Daarnaast werd een veel ambitieuzer complex ontworpen op het achterste gedeelte van de Flevohof. In dat ontwerp bestond de grote hal uit een ruimte van ongeveer 35 bij 70 meter, aangevuld met een tweede ruimte die bij grote manifestaties met de hoofdruimte kon worden verbonden. Er werd gerekend met ongeveer 5.500 vaste zitplaatsen, aangevuld met circa 3.000 plaatsen op schuiftribunes. Afhankelijk van de inrichting kon de totale capaciteit zelfs richting 10.000 bezoekers gaan.
Het bleef daarmee niet bij een bestuurlijke gedachte of een globale schets. Er werden bouwkundige ontwerpen, plattegronden, gevelaanzichten, doorsneden en situatietekeningen gemaakt. Op die plannen is zelfs te zien hoe de nieuwe voorziening zich zou verhouden tot onder meer de terreinen voor concours hippique en trekker-trek, het Kinderdorp, de Wereldtuinen, het hoofdrestaurant en Land zonder Drempels.
Van veekeuring tot televisieproductie
De multifunctionele hal moest nadrukkelijk niet alleen voor landbouw worden gebruikt. In de exploitatieplannen werd rekening gehouden met publieks- en vakbeurzen, landbouw- en fokveemanifestaties, hippische evenementen, congressen, dealerdagen en sportwedstrijden. Ook radio- en televisieproducties werden genoemd als mogelijke gebruikers van het gebouw.
Dat brede programma was noodzakelijk om voldoende bezetting te bereiken. Een miljoenen kostende hal die slechts enkele keren per jaar voor een landbouwmanifestatie werd gebruikt, zou economisch nauwelijks te verdedigen zijn. De voorziening moest daarom een zelfstandig evenementen- en congresbedrijf worden dat gedurende grote delen van het jaar activiteiten kon organiseren.
Daarmee werd opnieuw duidelijk hoe ver de economische gedachte inmiddels was opgeschoven. Flevohof was formeel nog altijd de permanente nationale landbouwmanifestatie, maar onderzocht tegelijkertijd een evenementencomplex waarmee het park rechtstreeks de markt voor congressen, sport, beurzen en entertainment wilde betreden.
De rekening achter de ambitie
Bij de financiële uitwerking werd echter onmiddellijk duidelijk waarom zo’n project moeilijk te realiseren was. Flevohof had in de jaren zeventig geleerd wat hoge rente- en kapitaallasten met een kwetsbare exploitatie konden doen. Het bestuur wilde daarom voorkomen dat de bestaande Flevohof verantwoordelijk werd voor een nieuwe investering waarvan de lasten jarenlang op het park zouden drukken.
Voor de kleinere aanbouwvariant werd gerekend met een totale investering van ongeveer ƒ6,5 miljoen. Op papier zag de exploitatie er niet onaantrekkelijk uit. Tegenover geraamde jaarlijkse opbrengsten van ongeveer ƒ1,63 miljoen stonden kosten van ongeveer ƒ1,32 miljoen, waardoor theoretisch een positief resultaat van ruim ƒ300.000 mogelijk leek.
Daarmee was het probleem echter niet opgelost. In zulke berekeningen waren de financieringslasten doorslaggevend. Zodra over miljoenen guldens normale rente en aflossing moesten worden betaald, kon een op papier positief exploitatieresultaat snel verdwijnen. Juist daarom werd gezocht naar subsidies, bijdragen van derden en financieringsconstructies waarbij de kapitaallasten zo laag mogelijk bleven.
Voor de grotere variant werd gerekend met een investering van ongeveer ƒ9 miljoen. Ook daarvoor kon op papier een positief exploitatieresultaat worden berekend, in sommige scenario’s zelfs van meer dan ƒ700.000 per jaar. Maar opnieuw gold dat zo’n uitkomst alleen realistisch was wanneer de bouw grotendeels met zeer gunstige financiering kon worden gerealiseerd.
De grote vraag was dus niet alleen of een evenementenhal bezoekers en omzet kon opleveren. Minstens zo belangrijk was wie de miljoeneninvestering vooraf zou betalen en hoeveel daarvan vervolgens jaarlijks op de exploitatie van Flevohof zou drukken.
Een concreet gebouw, geen losse toekomstfantasie
Juist de gedetailleerde uitwerking maakt duidelijk hoe serieus Flevohof het project nam. Er kwamen architectonische tekeningen van gevels, verdiepingen, tribunes en doorsneden en er werd nauwkeurig bekeken waar het complex op het bestaande terrein kon worden ingepast. Ook logistiek, parkeren, horeca, congresruimten en technische voorzieningen werden meegenomen.
De multifunctionele hal was daarmee veel meer dan een idee dat tijdens een bestuursvergadering eens ter sprake kwam. Flevohof probeerde daadwerkelijk vast te stellen of naast het bestaande park een nieuw evenementenbedrijf kon ontstaan. De schaal van het ontwerp laat bovendien zien dat daarbij niet voorzichtig werd gedacht: het ging om een voorziening die bij grote evenementen duizenden bezoekers tegelijkertijd zou kunnen ontvangen.
Dat past bij de bredere ontwikkeling van de jaren tachtig. Het enorme terrein werd steeds minder uitsluitend beschouwd als decor voor een permanente landbouwmanifestatie. Het werd ook gezien als een bedrijfsmiddel waarmee congressen, manifestaties, sport, tentoonstellingen en andere evenementen konden worden aangetrokken.
1987: ondertussen moest de gewone Flevohof blijven draaien
Terwijl aan zulke grote toekomstplannen werd gewerkt, moest de bestaande Flevohof natuurlijk gewoon iedere dag worden geëxploiteerd. De bestuursstukken uit 1987 laten zien hoe nauwlettend de resultaten inmiddels werden gevolgd. Personeelskosten, horeca, investeringen, bezoekersaantallen en de opbrengsten van verschillende onderdelen kwamen voortdurend terug in de besprekingen.
De situatie was niet meer vergelijkbaar met de enorme verliezen uit de eerste helft van de jaren zeventig. Na correcties leek het jaarresultaat zelfs beter uit te vallen dan aanvankelijk was begroot. Maar van een onderneming met grote financiële reserves was evenmin sprake. De marges bleven beperkt en veranderingen in bezoekersaantallen of kosten konden daardoor relatief snel doorwerken in het eindresultaat.
Dat verklaart ook waarom het bestuur bij nieuwe projecten zo voorzichtig rekende. De Flevohof wilde groeien, maar kon zich moeilijk permitteren dat één nieuw miljoenenproject de bestaande exploitatie opnieuw in financiële problemen zou brengen.
387.000 betalende bezoekers
Voor 1987 wordt in de bestuursstukken gesproken over ongeveer 387.000 betalende bezoekers. Het totale aantal mensen dat het terrein bezocht lag hoger, omdat ook via acties, vrijkaarten en andere regelingen bezoekers binnenkwamen zonder een normaal entreebewijs te kopen.
Dat verschil werd economisch steeds belangrijker. Voor een recreatiebedrijf zegt het aantal mensen op het terrein immers maar een deel van het verhaal. Een gratis bezoeker kon geld uitgeven in restaurants of winkels, maar leverde geen normale entreeopbrengst op. Omgekeerd kon een betalende bezoeker die verder nauwelijks iets besteedde ook minder interessant zijn dan het bezoekersaantal op zichzelf deed vermoeden.
Flevohof keek daarom steeds nadrukkelijker naar de opbrengst per bezoeker. Entree, horeca, detailhandel, arrangementen en evenementen moesten gezamenlijk zorgen voor een gezond resultaat. Daarmee werd de exploitatie steeds meer benaderd zoals die van andere grote recreatiebedrijven.
De naam Flevohof verkoopt zichzelf niet meer
Ook de positie van Flevohof in de Nederlandse recreatiemarkt was veranderd. In 1971 was de opening landelijk nieuws geweest en was het park voor honderdduizenden Nederlanders simpelweg aantrekkelijk omdat het nieuw was. Zestien jaar later kon de organisatie niet meer op dat effect rekenen.
De vrijetijdsmarkt was ondertussen eveneens sterk veranderd. Gezinnen hadden meer mogelijkheden voor een dagje uit en recreatiebedrijven concurreerden steeds nadrukkelijker om hun aandacht. Dat betekende dat ook Flevohof actief reclame moest maken, acties moest bedenken en voortdurend nieuwe redenen moest geven om opnieuw naar Biddinghuizen te komen.
Die ontwikkeling was veelzeggend. Het oorspronkelijke uitgangspunt uit de jaren zestig was geweest dat de Nederlandse landbouw zélf interessant genoeg was om een permanente nationale manifestatie te dragen. Eind jaren tachtig moest diezelfde Flevohof zich als recreatieve bestemming actief op de markt verkopen.
1988: de discussie gaat over de toekomst van het hele park
In 1988 werd de toekomstdiscussie zo fundamenteel dat een speciale Beleidsadvies Commissie zich over de positie van Flevohof boog. De opdracht ging veel verder dan het beoordelen van één investering of het zoeken naar een nieuwe attractie. Het ging om de vraag hoe de Flevohof als geheel in de komende jaren levensvatbaar kon blijven.
Het rapport kreeg de veelzeggende titel Verkenningen en Perspectieven. Daarmee werd eigenlijk precies samengevat waar Flevohof op dat moment stond. Na bijna twintig jaar exploitatie was duidelijk wat het oorspronkelijke concept had opgeleverd, maar was veel minder duidelijk hoe dat concept de jaren negentig moest overleven.
De commissie zocht niet naar één spectaculaire wonderoplossing. Er werd juist gepleit voor financiële terughoudendheid en voor zorgvuldige keuzes over waar nog wel en niet in moest worden geïnvesteerd. In de discussie werd aanvankelijk zelfs gesproken over een soort pauzebeleid, hoewel dat later werd genuanceerd tot een terughoudend financieel beleid.
Niet investeren was óók geen oplossing
Volledig stoppen met investeren kon echter evenmin. Een recreatiepark dat jarenlang nauwelijks vernieuwt, loopt het risico dat bezoekers het steeds minder aantrekkelijk vinden om terug te komen. Tentoonstellingen verouderen, gebouwen hebben onderhoud nodig en concurrerende bestemmingen blijven ondertussen wel nieuwe activiteiten toevoegen.
Dat plaatste de Flevohof voor een lastig dilemma. Geld reserveren voor de toekomst vereiste terughoudendheid, maar diezelfde toekomst kon juist in gevaar komen wanneer te weinig werd vernieuwd. Het bestuur moest daarom veel scherper gaan bepalen welke investeringen echt noodzakelijk waren en welke vooral nieuwe financiële risico’s zouden toevoegen.
Flevohof moest geld sparen om te kunnen vernieuwen, maar moest tegelijkertijd blijven vernieuwen om voldoende bezoekers te trekken.
Die tegenstelling liep als een rode draad door de toekomstdiscussie. Het ging daardoor steeds minder om de vraag óf er geïnvesteerd moest worden en steeds meer om de vraag waarin, op welk moment en vooral met wiens geld.
Van bijna een miljoen naar een realistischer uitgangspunt
Ook de verwachtingen rond bezoekersaantallen waren inmiddels veel realistischer geworden. In toekomstberekeningen werd gewerkt met aantallen rond de 325.000 bezoekers als belangrijke basis voor een levensvatbare exploitatie. Dat stond in scherp contrast met het openingsjaar, toen in ruim zeven maanden bijna een miljoen mensen naar de Flevohof waren gekomen.
Die vergelijking zegt vooral iets over de manier waarop de organisatie was veranderd. Niemand kon meer verantwoord begroten alsof het uitzonderlijke succes van 1971 ieder jaar zou terugkeren. Flevohof moest een bedrijfsmodel ontwikkelen dat ook bij enkele honderdduizenden bezoekers kon functioneren.
Daarmee werden andere opbrengsten vanzelf belangrijker. Horeca, arrangementen, winkels, evenementen en verblijfsrecreatie konden het verschil maken tussen een bezoeker die alleen entree betaalde en een bezoeker die gedurende een hele dag of zelfs meerdere dagen geld op het terrein uitgaf.
Ook de landbouw moest opnieuw worden uitgevonden
De oorspronkelijke landbouwfunctie bleef ondertussen een essentieel onderdeel van de identiteit van Flevohof. Maar ook daar begon de vraag te spelen of het concept uit de jaren zestig nog ongewijzigd kon worden voortgezet. Permanente tentoonstellingen waren duur om actueel te houden en juist de landbouw veranderde in hoog tempo.
Mechanisatie, automatisering, nieuwe productiemethoden en veranderingen in de agrarische sector konden ervoor zorgen dat een presentatie binnen enkele jaren alweer verouderd was. Het simpelweg behouden van bestaande tentoonstellingen was daardoor geen garantie dat de oorspronkelijke educatieve functie behouden bleef.
De discussie ging dan ook niet uitsluitend over de vraag of landbouw plaats moest maken voor recreatie. Veel interessanter was de vraag hoe landbouw op een moderne, aantrekkelijke en betaalbare manier onderdeel kon blijven van een park dat inmiddels ook als recreatiebedrijf moest functioneren.
Dat onderscheid is belangrijk. Flevohof probeerde zijn oorsprong niet simpelweg af te schaffen. De organisatie zocht naar een vorm waarin die oorsprong nog toekomst had.
Een park dat bijna alles tegelijk was geworden
Het gevolg van bijna twintig jaar ontwikkeling was dat de Flevohof zich nauwelijks nog met één woord liet omschrijven. Op hetzelfde terrein kwamen landbouwbedrijven, tentoonstellingen, tuinen, Kinderdorp, horeca en recreatie samen met congressen, beurzen, festivals, sport en grote buitenevenementen. Direct daarnaast ontwikkelde Land zonder Drempels zich bovendien als verblijfsrecreatieve bestemming.
Die veelzijdigheid was aantrekkelijk, maar maakte de strategische vraag juist ingewikkelder. Moest Flevohof proberen al die functies naast elkaar te behouden, of zou het park sterker worden wanneer een aantal duidelijke kernactiviteiten werd gekozen? En welke onderdelen waren inhoudelijk belangrijk maar financieel nauwelijks zelfstandig te exploiteren?
Daarmee was de oude tegenstelling tussen landbouwpark en attractiepark eigenlijk te eenvoudig geworden. Flevohof was inmiddels landbouwmanifestatie, recreatiepark, evenementenlocatie, horecabedrijf en congresbestemming tegelijk. De uitdaging was om daar één levensvatbaar geheel van te maken.
Land zonder Drempels krijgt een hoofdrol
Een mogelijke richting voor de toekomst lag letterlijk naast de Flevohof. Daar bevond zich Land zonder Drempels, het verblijfscomplex met aangepaste vakantiebungalows dat eind jaren zeventig was ontstaan. In 1988 werd onderzocht of dit park op zeer grote schaal kon worden uitgebreid en veel nauwer met de Flevohof kon worden verbonden.
Op dat moment telde het complex ongeveer 70 bungalows. Het nieuwe plan voorzag in nog eens 240 woningen, waardoor uiteindelijk ongeveer 310 bungalows zouden ontstaan. Daarbij werd niet alleen gedacht aan nieuwe accommodaties, maar ook aan wegen, wandelpaden, parkeervoorzieningen, recreatie, technische infrastructuur en de verdere inrichting van het gebied.
Een belangrijk deel van de woningen zou aangepast worden voor gasten met een lichamelijke beperking. Daarnaast werd rekening gehouden met verschillende groottes en typen accommodaties, zodat een veel bredere groep bezoekers op het terrein kon verblijven.
Van dagattractie naar vakantiebestemming
De interessantste gedachte achter het plan was de koppeling met Flevohof. Gasten van Land zonder Drempels zouden gebruik kunnen maken van voorzieningen van de Flevohof, terwijl bestaande infrastructuur en recreatieve onderdelen van het park tegelijkertijd konden worden ingezet voor het bungalowcomplex. Toegang tot Flevohof, restaurants, Kinderdorp, recreatie, wegen en parkeerterreinen kwamen allemaal in de plannen terug.
Daarmee ontstond een radicaal ander model dan de oorspronkelijke dagattractie. Een bezoeker zou niet langer ’s morgens vanuit huis naar Biddinghuizen hoeven te rijden en ’s avonds weer vertrekken, maar dagen of zelfs weken direct naast Flevohof kunnen verblijven. Voor de exploitatie bood dat vanzelfsprekend interessante mogelijkheden: dezelfde gast kon meerdere dagen gebruikmaken van horeca, recreatie en andere voorzieningen.
Het idee liep daarmee vooruit op een ontwikkeling die later in de recreatiesector zeer gebruikelijk zou worden: het combineren van een dagattractie met verblijfsrecreatie. In 1988 werd op Flevohof al serieus doorgerekend wat zo’n geïntegreerd recreatiecomplex zou kunnen betekenen.
Een plan van meer dan veertig miljoen gulden
De omvang van de plannen blijkt uit de financiële stukken. Wanneer bestaande bezittingen, grond, infrastructuur, de nieuwe bungalows en overige investeringen bij elkaar werden opgeteld, kwam de totale berekende waarde en investering uit op ruim ƒ41 miljoen.
Dat bedrag maakt duidelijk dat Land zonder Drempels niet als een bescheiden uitbreiding naast Flevohof werd beschouwd. Men rekende aan een grootschalige gebiedsontwikkeling waarin dagrecreatie en verblijf veel nauwer met elkaar zouden worden verbonden. Alleen al de bouw van honderden nieuwe bungalows vertegenwoordigde vele miljoenen guldens, nog los van wegen, nutsvoorzieningen, parkeerterreinen en andere voorzieningen.
Het project behoorde daarmee tot de grootste toekomstplannen die tot dat moment voor het Flevohofgebied waren uitgewerkt.
Samenwerken, maar de risico’s scheiden
Bij al die plannen valt opnieuw op hoeveel aandacht werd besteed aan financiële en juridische risico’s. Flevohof en Land zonder Drempels waren afzonderlijke organisaties en bij een verdere samenwerking moest nauwkeurig worden bepaald wie welke bezittingen inbracht, wie investeerde en hoe inkomsten, leningen en hypotheken zouden worden verdeeld.
De gedachte daarachter was begrijpelijk. Beide organisaties konden voordeel hebben van een nauwere samenwerking, maar financiële problemen bij het ene project mochten niet automatisch de andere exploitatie meeslepen. De ervaringen uit de jaren zeventig hadden duidelijk gemaakt hoe gevaarlijk langdurige kapitaallasten konden worden wanneer bezoekersaantallen of inkomsten tegenvielen.
Dat verklaart ook waarom de plannen soms tegelijkertijd zeer ambitieus en buitengewoon voorzichtig ogen. Flevohof wilde grote stappen zetten, maar liefst zonder zelf het volledige financiële risico van die stappen te dragen.
1988: ook Dronten wordt bij de evenementenhal betrokken
Ondertussen bleef ook de multifunctionele evenementenhal op tafel liggen. In stukken van de gemeente Dronten werd in 1988 expliciet beschreven dat Stichting Flevohof streefde naar een verbreding van de exploitatie en dat een dergelijke hal mogelijkheden kon bieden voor nieuwe grootschalige publieksevenementen.
Voor een volledige haalbaarheidsstudie was ruim ƒ75.000 nodig. Flevohof vroeg de gemeente om een bijdrage van ongeveer een derde van dat bedrag. De gemeente wilde niet zover gaan, maar de gemeenteraad besloot op 28 januari 1988 wel om onder voorwaarden ƒ7.500 beschikbaar te stellen.
Daarbij moest Flevohof zelf financieel deelnemen en werd eveneens een substantiële bijdrage van de provincie verwacht. Bovendien moest het haalbaarheidsonderzoek door een onafhankelijk en deskundig bureau worden uitgevoerd. Voor aanvullende financiering werd ook bij het ministerie van Economische Zaken aangeklopt, maar daar kwam geen extra bijdrage vandaan.
Het verloop laat mooi zien hoe zulke plannen inmiddels tot stand moesten komen. Flevohof kon een project bedenken en voorbereiden, maar voor de daadwerkelijke realisatie waren steeds vaker meerdere publieke en private partijen nodig.
Voorzichtig beleid betekende niet stilstand
De roep om financiële terughoudendheid betekende ondertussen niet dat de bestaande Flevohof niets meer mocht kosten. Voor 1988 werd nog steeds gesproken over een investeringsbudget van ongeveer ƒ1,6 miljoen. Onderhoud, vervanging en vernieuwing bleven noodzakelijk om het park aantrekkelijk en operationeel te houden.
De verandering zat vooral in de manier waarop over zulke uitgaven werd gedacht. In de beginjaren was een maatschappelijk of landbouwkundig belang soms al voldoende aanleiding geweest om vervolgens naar financiering te zoeken. Eind jaren tachtig werd veel nadrukkelijker gevraagd welke investering werkelijk noodzakelijk was, welke opbrengsten daar tegenover stonden en wie het risico zou dragen wanneer die opbrengsten uitbleven.
Dat betekende een forse verandering in de bestuurscultuur. De Flevohof was ooit begonnen als een breed gedragen nationaal landbouwproject. In 1988 werd het steeds meer bestuurd als een onderneming die iedere grote investering economisch moest kunnen verdedigen.
De paradox van 1988
Juist daarom is 1988 een van de meest interessante jaren uit de geschiedenis van Flevohof. Aan de ene kant werd nadrukkelijk gesproken over terughoudendheid, kostenbewaking en het creëren van financiële ruimte. Aan de andere kant lagen tegelijkertijd bijzonder ambitieuze plannen op tafel voor een grote evenementenhal en een enorme uitbreiding van Land zonder Drempels.
Die twee ontwikkelingen spreken elkaar minder tegen dan op het eerste gezicht lijkt. Het bestuur had juist geconcludeerd dat doorgaan op dezelfde manier onvoldoende perspectief bood. Grote nieuwe projecten konden daarom wel degelijk aantrekkelijk zijn, zolang zij een wezenlijk nieuw verdienmodel opleverden en de financiering niet opnieuw volledig op de bestaande Flevohof zou drukken.
Flevohof wilde in 1988 dus bepaald niet rustig uitdoven. Integendeel: de organisatie probeerde op verschillende fronten een nieuwe toekomst te ontwerpen. De onzekerheid zat niet in het ontbreken van ideeën, maar in de vraag welke daarvan financieel uitvoerbaar waren.
Geen eenvoudige neergang
Dat maakt deze periode ook belangrijk voor het beeld van de laatste jaren van de Flevohof. Met kennis van het faillissement van 1991 is het verleidelijk om de tweede helft van de jaren tachtig achteraf te beschrijven als een park dat langzaam ten onder ging. De oorspronkelijke stukken laten een veel dynamischer beeld zien.
Er waren onmiskenbaar financiële zorgen en de organisatie wist dat het bestaande model verandering nodig had. Maar er werd tegelijkertijd geïnvesteerd, marktonderzoek gedaan, infrastructuur aangelegd, onderhandeld met overheden, een compleet evenementencomplex ontworpen en gewerkt aan een recreatieproject van tientallen miljoenen guldens.
Het probleem was dus niet dat Flevohof niet zag dat verandering nodig was. De veel moeilijkere vraag was welke verandering voldoende inkomsten zou opleveren, bij de identiteit van Flevohof zou passen en ook daadwerkelijk financierbaar was.
Hoeveel Flevohof moest er in de nieuwe Flevohof blijven?
Aan het einde van 1988 was de oorspronkelijke Flevohof nog altijd goed herkenbaar. Landbouw, tuinen, tentoonstellingen, Kinderdorp, horeca en recreatie vormden nog steeds belangrijke onderdelen van het park. Maar op bestuurlijk niveau ging de discussie inmiddels veel verder dan de inhoud van het volgende seizoen.
Het ging over de verhouding tussen dag- en verblijfsrecreatie, tussen landbouw en entertainment en tussen permanente tentoonstellingen en tijdelijke evenementen. Ook werd gezocht naar nieuwe vormen van samenwerking met andere organisaties en commerciële partijen, zodat grote projecten niet uitsluitend door Flevohof zelf hoefden te worden gefinancierd.
Daarachter lag uiteindelijk een identiteitsvraag die al sinds de jaren zeventig meespeelde: hoeveel van het oorspronkelijke concept moest behouden blijven om nog van Flevohof te kunnen spreken, en hoeveel moest juist veranderen om het park een toekomst te geven?
In 1972 wees het bestuur nog een kabelbaan af omdat die te veel afbreuk zou doen aan het karakter van de Flevohof. In 1988 lagen ontwerpen op tafel voor een evenementenhal voor duizenden bezoekers en plannen voor honderden vakantiebungalows. In zestien jaar tijd was niet alleen de exploitatie veranderd, maar ook de vraag wat Flevohof eigenlijk mocht zijn.
Op de drempel van de laatste jaren
De plannen van 1988 vormen daarmee een logisch eindpunt van deze periode. Flevohof beschikte nog steeds over landelijke bekendheid, een enorm terrein en jaarlijks honderdduizenden bezoekers. Er waren bovendien concrete ideeën om het gebruik van dat terrein fundamenteel te verbreden.
Maar vrijwel ieder groot toekomstplan was afhankelijk van externe financiering, subsidies, samenwerking of nieuwe juridische constructies. De organisatie kon de volgende fase niet meer uitsluitend vanuit de bestaande exploitatie betalen. Daarmee werd de toekomst steeds afhankelijker van de bereidheid van andere partijen om mee te investeren en risico te dragen.
Vanaf 1989 zou blijken welke van de ambitieuze plannen daadwerkelijk kans van slagen hadden. De vraag was inmiddels niet meer of Flevohof moest veranderen, maar of er nog voldoende tijd en financiële ruimte was om die verandering tot stand te brengen.