1972–1976 Hoofdstuk 2 van 7

Flevohof dossier

Van bezoekerssucces naar financiële zorgen

Na het uitzonderlijke openingsjaar van 1971 leek de toekomst van Flevohof nauwelijks grenzen te kennen. In iets meer dan zeven maanden kwamen bijna een miljoen betalende bezoekers naar Biddinghuizen. Het terrein was op drukke dagen nauwelijks berekend op de toestroom en restaurants, parkeerplaatsen en andere voorzieningen moesten al snel worden uitgebreid. Toch bleek in de jaren daarna dat het succes van 1971 geen vanzelfsprekend uitgangspunt voor de toekomst was.

Vanaf 1972 kreeg Flevohof te maken met lagere bezoekersaantallen, hoge vaste lasten en een ingewikkeld bedrijfsmodel waarin landbouw, voorlichting, horeca en recreatie allemaal met elkaar verweven waren. Tegelijkertijd veranderde langzaam de manier waarop naar de bezoeker werd gekeken. Het was niet langer voldoende om mensen één keer naar Biddinghuizen te krijgen om kennis te maken met de Nederlandse landbouw; zij moesten ook redenen krijgen om langer te blijven en later opnieuw terug te komen. Juist in de periode 1972–1976 werd daarmee de basis gelegd voor een ontwikkeling die uiteindelijk een steeds recreatiever Flevohof zou opleveren.

1972: de terugslag na het openingsjaar

Voor het tweede seizoen waren de verwachtingen hoog. In het jaarverslag over 1972 werd het bezoekersaantal van het openingsjaar afgerond op ongeveer 955.000 betalende bezoekers en voor 1972 was gerekend op circa 1,03 miljoen bezoekers. Dat aantal werd bij lange na niet gehaald: uiteindelijk kwamen ongeveer 806.000 mensen naar Flevohof. Voor vrijwel iedere Nederlandse dagattractie zou dat nog altijd een indrukwekkend resultaat zijn geweest, maar bij Flevohof waren veel investeringen en kosten gebaseerd op aanzienlijk grotere aantallen.

Het enorme terrein omvatte inmiddels landbouwbedrijven, restaurants, verkooppunten, tentoonstellingsruimten, recreatieve voorzieningen, parkeerterreinen, werkplaatsen en een groot aantal gebouwen en technische installaties. Veel van die kosten liepen gewoon door, ongeacht hoeveel bezoekers er op een bepaalde dag door de poorten kwamen. De financiële gevolgen waren dan ook aanzienlijk. Waar voor 1972 nog op ongeveer een sluitende exploitatie was gerekend, eindigde het jaar met een verlies van ongeveer ƒ 2.169.000.

JaarBezoekersFinancieel resultaat
1971circa 955.000circa ƒ 362.000 verlies
1972circa 806.000circa ƒ 2.169.000 verlies
1973circa 791.000circa ƒ 693.000 verlies

Het bestuur zocht uitvoerig naar verklaringen voor de terugval. Het weer speelde daarbij een rol: zowel langdurige regen als uitzonderlijk warme perioden konden de bezoekersstroom sterk beïnvloeden. Ook de Floriade van 1972 in Amsterdam werd als concurrent genoemd en daarnaast speelden economische omstandigheden een rol. Minstens zo belangrijk was echter dat het nieuwigheidseffect van 1971 begon te verdwijnen. Flevohof had bij de opening uitzonderlijk veel publiciteit gekregen en honderdduizenden Nederlanders waren nieuwsgierig geweest naar de nieuwe nationale landbouwmanifestatie. Een jaar later moest het park bewijzen dat mensen ook zonder die openingshype naar Biddinghuizen wilden blijven komen.

Een kostbaar en ingewikkeld concept

De problemen zaten niet alleen aan de inkomstenkant. Het oorspronkelijke concept van Flevohof was van zichzelf al duur. De landbouwbedrijven op het terrein waren geen gewone productiebedrijven, maar moesten naast hun agrarische werkzaamheden ook een representatieve en educatieve functie vervullen. Rundvee, varkens, pluimvee, akkerbouw en tuinbouw moesten niet alleen producten opleveren, maar tevens geschikt zijn voor demonstraties, rondleidingen en grote aantallen bezoekers.

Daardoor waren de kosten moeilijk vergelijkbaar met die van een normaal landbouwbedrijf. Een gewone veehouder hoefde geen duizenden toeristen veilig langs stallen te leiden en een tuinder hoefde zijn bedrijf niet voortdurend als tentoonstelling in te richten. Op Flevohof moesten de agrarische bedrijven bovendien een aantrekkelijk beeld geven van de Nederlandse landbouw. Wanneer al die extra kosten volledig bij de afzonderlijke bedrijven werden neergelegd, leken zij verlieslatend; wanneer ze als voorlichtingskosten werden beschouwd, ontstond onmiddellijk de vraag wie die voorlichting dan eigenlijk moest betalen.

Dat werd een fundamenteel probleem. Flevohof was opgezet als een permanente nationale landbouwmanifestatie, maar een groot deel van de kosten daarvan werd indirect gedragen door de betalende bezoeker. Naarmate de financiële druk toenam, werd daarom steeds nadrukkelijker gevraagd of de landbouwsector zelf niet een groter deel van de voorlichtings- en presentatiefunctie moest financieren.

Meer verdienen aan de bezoeker

Tegelijkertijd begon Flevohof steeds beter te begrijpen hoe belangrijk de bestedingen van bezoekers waren. Hoewel er in 1972 minder mensen kwamen dan in 1971, steeg de gemiddelde omzet per bezoeker bij de verkooppunten van ongeveer ƒ 1,40 naar circa ƒ 1,90. Ook in de horeca namen de bestedingen per bezoeker toe. Dat betekende echter nog niet automatisch dat deze bedrijfsonderdelen winstgevend waren, want tegenover de hogere omzet stonden grote restaurants, keukens, personeelskosten, bevoorrading en onderhoud.

Het restaurantbedrijf eindigde 1972 bijvoorbeeld met een verlies van ruim ƒ 321.000. Dat laat goed zien hoe sterk het park na het openingsjaar was uitgebreid. Voorzieningen waren aangepast aan de enorme drukte van 1971, terwijl de bezoekersaantallen daarna juist daalden. De capaciteit die in het eerste seizoen dringend nodig leek, werd daardoor in volgende jaren een financiële last.

Ook de personeelsorganisatie werd ingrijpend aangepast. Eind 1971 telde Flevohof ongeveer 129 vaste medewerkers; eind 1972 waren dat er nog ongeveer 83. Vooral werkzaamheden die samenhingen met de bouw en inrichting van het terrein konden worden afgebouwd nu de grote aanlegfase grotendeels voorbij was. Flevohof veranderde daarmee in korte tijd van een organisatie die vooral bezig was geweest met bouwen en openen naar een onderneming die moest leren hoe zij het enorme complex structureel kon exploiteren.

Hoeveel recreatie paste bij Flevohof?

Juist tegen die financiële achtergrond ontstond een interessante discussie over de recreatieve kant van het park. In 1972 kreeg Flevohof de mogelijkheid een kabelbaan over te nemen die eerder tijdens C’70 was gebruikt. Zo’n kabelbaan zou een opvallende publiekstrekker kunnen zijn en mogelijk extra inkomsten opleveren. Toch besloot het bestuur ervan af te zien, omdat een dergelijke attractie volgens de toenmalige opvatting afbreuk zou doen aan het karakter van Flevohof.

Dat besluit laat goed zien waar de grens op dat moment lag. Recreatie was absoluut niet nieuw: Flevohof beschikte vanaf het begin over speelvoorzieningen, een Kinderdorp, horeca en andere vormen van vermaak. Die activiteiten moesten het bezoek aan de landbouwmanifestatie aantrekkelijker maken. Een grote mechanische attractie werd in 1972 echter kennelijk nog beschouwd als iets dat te dicht in de buurt kwam van een traditioneel attractiepark.

Toch begon het bestuur in dezelfde periode steeds scherper onderscheid te maken tussen de agrarische en publicitaire functie enerzijds en de toeristisch-recreatieve exploitatie anderzijds. Voor de landbouwpresentatie werd gekeken naar bijdragen van deelnemers, landbouworganisaties en subsidies, terwijl de recreatieve kant zoveel mogelijk inkomsten uit entree, horeca en verkoop moest halen. Daarmee ontstond een opmerkelijke situatie: inhoudelijk wilde Flevohof afstand houden van het traditionele attractiepark, terwijl de recreatieve exploitatie financieel juist steeds professioneler en commerciëler moest worden.

1973: minder bezoekers, maar financieel herstel

In 1973 daalde het bezoekersaantal opnieuw iets. Er kwamen ongeveer 791.000 bezoekers, tegenover circa 806.000 een jaar eerder. Voor 1973 was aanvankelijk op ongeveer 850.000 bezoekers gerekend. Toch betekende de lagere opkomst niet dat de financiële situatie opnieuw net zo dramatisch werd als in 1972. Door reorganisaties, kostenbesparingen, hogere opbrengsten en bijdragen van buitenaf daalde het verlies tot ongeveer ƒ 693.000.

Dat was nog altijd een aanzienlijk tekort, maar de verbetering ten opzichte van het voorgaande jaar was groot. Tegelijkertijd werd duidelijk dat Flevohof voor een gezonde exploitatie niet uitsluitend op entreegelden kon vertrouwen. In 1973 werd ruim ƒ 555.000 aan exploitatiesubsidies verantwoord. De financiële betrokkenheid van landbouworganisaties, overheid en andere deelnemers werd daardoor steeds belangrijker.

Het jaarverslag laat bovendien zien dat Flevohof de bezoeker steeds systematischer ging onderzoeken. Er werden enquêtes gehouden naar de herkomst van bezoekers, hun waardering voor verschillende onderdelen, de manier waarop zij van Flevohof hadden gehoord en de kans dat zij later opnieuw zouden komen. Ongeveer de helft van de ondervraagden bleek via familie, kennissen of andere persoonlijke contacten over het park te hebben gehoord. Mond-tot-mondreclame speelde dus een belangrijke rol, maar juist het herhaalbezoek bleef een punt van zorg.

Van landbouwvoorlichting naar een compleet dagje uit

Dat probleem raakte aan de kern van het Flevohof-concept. Veel bezoekers kwamen één keer om het terrein te bekijken, kennis te maken met landbouw en de verschillende bedrijven en tentoonstellingen te bezoeken. Maar wanneer men eenmaal had gezien hoe koeien werden gemolken, gewassen werden geteeld of landbouwmachines werkten, was er niet automatisch een reden om het jaar daarop opnieuw te komen. Het bestuur begon daarom steeds duidelijker te beseffen dat het terrein voortdurend moest veranderen en vernieuwen.

Recreatie kreeg daardoor geleidelijk een andere betekenis. In de beginjaren was vermaak vooral een hulpmiddel geweest om landbouwvoorlichting aantrekkelijk te presenteren. Nu werd het tevens een instrument om mensen langer op het terrein te houden, de horecaomzet te vergroten en herhaalbezoek te stimuleren. Het Kinderdorp werd verbeterd, speelvoorzieningen werden uitgebreid en op verschillende plaatsen kwamen nieuwe activiteiten voor gezinnen.

Ook de seizoensinvloed speelde mee. Buiten de zomermaanden waren er minder bloemen, minder bezoekers en konden horeca- en verkooppunten rustiger of zelfs gesloten zijn. Daardoor kon het park juist op rustige momenten minder aantrekkelijk ogen. Flevohof moest dus niet alleen inhoudelijk interessant zijn, maar ook als complete dagattractie voldoende sfeer en activiteit bieden.

1974: een belangrijke grens wordt overschreden

Voor 1974 werd niet langer gerekend op bezoekersaantallen van ongeveer een miljoen. Op basis van de ervaringen uit 1972 en 1973 werd circa 800.000 bezoekers als een realistischer uitgangspunt gezien. Daarmee was het uitzonderlijke openingsjaar feitelijk niet langer de norm voor de bedrijfsvoering. De organisatie begon zich aan te passen aan het idee dat Flevohof structureel met lagere bezoekersaantallen moest kunnen functioneren.

Begin 1974 kreeg het park bovendien te maken met de gevolgen van de energiecrisis en benzinedistributie. Met ingang van 7 januari werd Flevohof voor het gewone publiek gesloten, terwijl groepen en bezoekers met specifieke belangstelling nog wel terechtkonden. Wat aanvankelijk vooral een maatregel vanwege de bijzondere omstandigheden was, zette het bestuur aan het denken over de zin van permanente winteropenstelling. In rustige wintermaanden waren de bezoekersaantallen laag, terwijl personeels-, verwarmings- en andere exploitatiekosten gewoon doorgingen.

Veel belangrijker voor de latere geschiedenis van het park is echter een andere passage uit het concept-jaarverslag over 1974. Daarin staat dat in dat jaar voor het eerst vier kermisattracties op Flevohof werden toegelaten. De ervaringen waren kennelijk zodanig positief dat het aantal in 1975 verder werd uitgebreid. Daarmee was in nauwelijks twee jaar tijd een duidelijke grens verschoven: de kabelbaan die in 1972 nog niet bij het karakter van Flevohof zou passen, kreeg in 1974 feitelijk gezelschap van attracties die rechtstreeks uit de kermiswereld kwamen.

Ook rond het Indianendorp werd het recreatieve aanbod verder uitgebouwd. Er kwamen onder meer een muziektent, een kinderrestaurant, trampolines en luchtkussens. Daarnaast werd geïnvesteerd in speeltoestellen, waaronder een zeer hoge glijbaan die in de stukken zelfs als een van de hoogste van Nederland werd beschreven. Voor gezinnen begon Flevohof daarmee steeds duidelijker een bestemming te worden waar landbouwvoorlichting en recreatie naast elkaar bestonden.

De tegenstelling is opvallend: in 1972 werd een kabelbaan nog afgewezen omdat zo’n attractie niet bij het karakter van Flevohof zou passen. In 1974 werden vier kermisattracties toegelaten en in 1975 werd het aantal alweer uitgebreid. Het laat zien hoe snel de opvattingen over recreatie veranderden.

1975: recreatie wordt ook een inkomstenbron

Halverwege de jaren zeventig werd steeds duidelijker dat bezuinigingen alleen het structurele probleem niet konden oplossen. Voor 1975 werd nog altijd uitgegaan van ruim 700.000 bezoekers, waarmee Flevohof tot de grotere Nederlandse dagattracties bleef behoren. Toch waren de kosten van terrein, gebouwen, personeel en landbouwbedrijven zo groot dat aanvullende inkomsten noodzakelijk bleven. De financiële verantwoordelijkheid van agrarische deelnemers, subsidies en andere externe bijdragen werd daarom steeds nadrukkelijker besproken.

Ook de recreatieve activiteiten kregen nu expliciet een economische betekenis. In plannen uit deze periode werd gesproken over de mogelijkheid om attractiepunten te verpachten aan externe exploitanten. Dat betekende dat recreatie niet alleen meer werd gezien als ondersteuning van de landbouwpresentatie, maar ook als mogelijke bron van directe inkomsten. De ontwikkeling richting een traditioneler recreatiebedrijf vond daarmee niet plaats door één groot besluit, maar door een reeks praktische keuzes die telkens werden ingegeven door bezoekersgedrag en financiële noodzaak.

Juist daarin schuilt een belangrijke verklaring voor de latere ontwikkeling van het terrein. Flevohof werd niet op een bepaald moment plotseling een pretpark. De verschuiving ontstond geleidelijk, doordat ieder jaar opnieuw werd gezocht naar activiteiten die meer mensen konden trekken, langer konden vasthouden en meer inkomsten konden opleveren.

Een bedrijfsmodel met te veel functies tegelijk

Het fundamentele probleem bleef dat Flevohof eigenlijk verschillende organisaties tegelijk was. Het was een nationale landbouwmanifestatie, een verzameling echte agrarische bedrijven, een educatief centrum, een expositieterrein, een recreatiepark, een horecabedrijf en een toeristische bestemming met omvangrijke infrastructuur. Voor elk van die onderdelen gold eigenlijk een ander verdienmodel, maar binnen Flevohof liepen de kosten en opbrengsten voortdurend door elkaar.

Een landbouwbedrijf verdiende normaal gesproken aan productie, een tentoonstelling aan bijdragen van deelnemers en sponsors, een restaurant aan consumpties en een recreatiepark aan bezoekers. Flevohof probeerde al die functies op één terrein te combineren. Daardoor ontstond voortdurend discussie over welke kosten tot de landbouwvoorlichting behoorden, welke kosten bij recreatie thuishoorden en wie uiteindelijk verantwoordelijk moest zijn voor tekorten.

Die ingewikkelde structuur verklaart ook waarom grote bezoekersaantallen niet automatisch tot een gezonde exploitatie leidden. Zelfs met 700.000 of 800.000 bezoekers konden rente, afschrijvingen, personeelskosten en onderhoud zwaarder wegen dan de opbrengsten uit entree, horeca en verkoop.

1976: niet alleen verlies, maar ook liquiditeitsproblemen

In 1976 werd de financiële situatie opnieuw nijpender. Het probleem ging inmiddels verder dan de vraag of Flevohof aan het einde van het boekjaar winst of verlies zou maken. Ook de liquiditeit kwam onder druk te staan: er moest voldoende geld beschikbaar zijn om salarissen, leveranciers, rente en andere verplichtingen daadwerkelijk op tijd te betalen. Financiële prognoses lieten in de eerste maanden van het jaar tekorten zien die tot meer dan een miljoen gulden konden oplopen.

Daarom werden maatregelen besproken die aanzienlijk verder gingen dan gewone kostenbesparingen. Het bestuur keek naar uitbreiding of verlenging van hypothecaire financiering, nieuwe langlopende leningen, garanties, verschuiving van betalingen en de mogelijkheid om bestaande deelnemersleningen om te zetten in risicodragend kapitaal. Dat laatste zou betekenen dat geld dat oorspronkelijk als terug te betalen lening in Flevohof was gestoken, structureel in de onderneming bleef zitten.

Daarmee kwam feitelijk dezelfde vraag terug die al sinds 1972 boven de organisatie hing. Als Flevohof een nationale landbouwmanifestatie met een maatschappelijke voorlichtingsfunctie moest blijven, konden de kosten daarvan dan volledig worden terugverdiend via bezoekers? Of moesten landbouworganisaties, overheid en andere betrokken partijen blijvend bereid zijn om een deel van de exploitatie te financieren?

Van idealisme naar bedrijfsvoering

De jaren 1972–1976 waren daarmee geen eenvoudige periode van neergang. Flevohof bleef honderdduizenden bezoekers trekken en behoorde tot de bekendste dagattracties van Nederland. Tegelijkertijd professionaliseerde de organisatie snel. Er kwam meer inzicht in bezoekersgedrag, opbrengsten per verkooppunt, personeelskosten, horecaresultaten, marketing, subsidies en de financiële prestaties van afzonderlijke bedrijfsonderdelen.

Wat wel veranderde, was de verhouding tussen ideaal en werkelijkheid. Flevohof was opgericht om de Nederlandse bevolking op een aantrekkelijke manier kennis te laten maken met landbouw en voedselproductie. In de praktijk bleek dat doel alleen haalbaar wanneer het terrein óók een aantrekkelijk recreatief product was. Bezoekers moesten niet alleen iets leren, maar zich ook vermaken, eten en drinken, winkelen en voldoende nieuwe dingen kunnen beleven om later nog eens terug te komen.

De ontwikkeling van 1972 tot 1976 laat dat bijna stap voor stap zien. Eerst werd een kabelbaan nog afgewezen omdat deze niet bij het karakter van Flevohof paste. Vervolgens werd steeds intensiever onderzocht wat bezoekers wilden, werden speel- en recreatievoorzieningen uitgebreid en verschenen in 1974 de eerste vier kermisattracties. Een jaar later werd dat aanbod alweer vergroot en werden attractiepunten zelfs als mogelijke commerciële exploitatie gezien.

Flevohof was daarmee in 1976 nog lang geen traditioneel pretpark, maar de richting was duidelijk veranderd. De landbouw bleef de inhoudelijke bestaansreden van het terrein, terwijl recreatie steeds belangrijker werd voor de economische levensvatbaarheid. Precies in die spanning tussen voorlichting en vermaak ligt de oorsprong van de ontwikkeling die het terrein in de daaropvolgende jaren verder zou veranderen.