Failliet, maar nog lang niet verdwenen
In oktober 1991 was al surseance van betaling verleend. Ook de gemeente Dronten volgde de ontwikkelingen op de voet. In een collegevergadering van 15 oktober werd besproken dat werd onderzocht of Flevohof nog gered kon worden. Daarbij speelde meteen een belangrijk probleem: wanneer afzonderlijke onderdelen zoals de veeteelt, varkenshouderij of het manifestatieterrein los zouden worden verkocht, kon de overblijvende Flevohof veel minder aantrekkelijk worden voor een mogelijke overnemer.
Dat laat zien hoe ingewikkeld de positie van het bedrijf inmiddels was. Flevohof bestond niet uit één attractiepark dat als geheel eenvoudig kon worden verkocht. Het was een enorm complex met recreatieve voorzieningen, landbouwbedrijven, gebouwen, evenementenlocaties, grond, technische installaties en allerlei onderlinge overeenkomsten.
Toen uiteindelijk het faillissement werd uitgesproken, veranderde de opdracht fundamenteel. Het ging niet langer in de eerste plaats om de vraag hoe Flevohof als organisatie kon worden gered, maar hoe zoveel mogelijk waarde uit de resterende bezittingen kon worden gehaald ten behoeve van de schuldeisers.