Na de financiële crisis weer vooruit kijken
In 1976 was duidelijk geworden hoe kwetsbaar de financiële positie van de Flevohof was. De organisatie had te maken met hoge vaste lasten, leningen, rente en een exploitatie die sterk afhankelijk bleef van het aantal bezoekers.
Daarmee was het oorspronkelijke probleem niet verdwenen. De landbouwkundige en educatieve functies kostten veel geld, terwijl entreegelden, horeca en recreatieve activiteiten een steeds groter deel van de inkomsten moesten leveren.
Vanaf 1977 verschoof de aandacht daarom geleidelijk van pure crisisbeheersing naar de vraag hoe de bestaande Flevohof beter en intensiever kon worden benut.
Dat betekende niet dat de financiële zorgen voorbij waren. Wel ontstond meer ruimte voor een andere manier van denken. Het terrein bood immers veel meer mogelijkheden dan alleen het ontvangen van gezinnen die een dag naar landbouwbedrijven, tentoonstellingen en recreatie kwamen kijken.
De nieuwe gedachte:
Als de Flevohof toch beschikte over een enorm terrein, grote gebouwen, parkeerplaatsen, horeca en landelijke bekendheid, waarom zouden die voorzieningen dan alleen voor het gewone dagbezoek worden gebruikt?