1989: de financiële ruimte wordt steeds kleiner
De problemen kwamen niet uit het niets. In de jaren daarvoor had Flevohof al geprobeerd zijn afhankelijkheid van het gewone dagbezoek te verminderen. Het evenemententerrein, congressen, horeca en verblijfsrecreatie moesten nieuwe inkomsten opleveren, terwijl tegelijkertijd werd gezocht naar een nieuwe manier om de oorspronkelijke landbouwfunctie aantrekkelijk en betaalbaar te houden.
In 1989 werd echter steeds duidelijker dat de financiële speelruimte beperkt bleef. De bezoekersaantallen vielen tegen en verschillende kostenposten waren moeilijk snel genoeg terug te brengen. In de organisatie bestond bovendien veel vaste capaciteit, terwijl een groot deel van de omzet juist sterk seizoensgebonden was. Een park dat vooral in het voorjaar en de zomer zijn geld verdiende, droeg het hele jaar personeels-, onderhouds- en huisvestingskosten.
Dat maakte iedere tegenvaller relatief zwaar. Wanneer enkele tienduizenden bezoekers minder kwamen dan begroot, verdwenen niet automatisch ook dezelfde hoeveelheid kosten. Juist de combinatie van dalende of wisselende bezoekersaantallen en een groot vast kostenniveau maakte de exploitatie kwetsbaar.
In de begrotingsdiscussies voor 1990 werd daarom gesproken over zeer forse besparingen. Alleen al binnen de personeelskosten werd gezocht naar een besparingsopgave van ruim een miljoen gulden. Niet alle maatregelen konden onmiddellijk worden uitgevoerd, omdat arbeidscontracten, organisatie en bedrijfsvoering niet van de ene op de andere dag konden worden aangepast.