1991–2003: De afwikkeling van het faillissement

Op 9 november 1991 viel het doek voor de Stichting Flevohof. Daarmee eindigde echter alleen de exploitatie van de Flevohof in haar oude vorm. Juridisch en financieel was het verhaal nog lang niet voorbij. Terwijl het terrein een nieuwe eigenaar kreeg en uiteindelijk zou worden omgebouwd tot Walibi Flevo, bleef de failliete stichting nog jarenlang bestaan. Bezittingen moesten worden verkocht, schulden vastgesteld, vorderingen geïnd, procedures afgerond en opbrengsten onder schuldeisers verdeeld.

De afwikkeling zou uiteindelijk meer dan elf jaar duren. Uit de faillissementsstukken ontstaat daardoor een bijzonder tweede einde van de Flevohof. Niet het zichtbare einde van een park, maar het veel tragere verdwijnen van de organisatie die er sinds de jaren zestig achter had gezeten.

Juist deze stukken maken duidelijk hoeveel er na een faillissement nog moet gebeuren. Gebouwen, grond, landbouwbedrijven, inventaris, contracten, personeel en zelfs de naam Flevohof kregen ieder afzonderlijk een plaats in de boedel. Pas in 2003 kon ook achter dat hoofdstuk definitief een punt worden gezet.

Failliet, maar nog lang niet verdwenen

In oktober 1991 was al surseance van betaling verleend. Ook de gemeente Dronten volgde de ontwikkelingen op de voet. In een collegevergadering van 15 oktober werd besproken dat werd onderzocht of Flevohof nog gered kon worden. Daarbij speelde meteen een belangrijk probleem: wanneer afzonderlijke onderdelen zoals de veeteelt, varkenshouderij of het manifestatieterrein los zouden worden verkocht, kon de overblijvende Flevohof veel minder aantrekkelijk worden voor een mogelijke overnemer.

Dat laat zien hoe ingewikkeld de positie van het bedrijf inmiddels was. Flevohof bestond niet uit één attractiepark dat als geheel eenvoudig kon worden verkocht. Het was een enorm complex met recreatieve voorzieningen, landbouwbedrijven, gebouwen, evenementenlocaties, grond, technische installaties en allerlei onderlinge overeenkomsten.

Toen uiteindelijk het faillissement werd uitgesproken, veranderde de opdracht fundamenteel. Het ging niet langer in de eerste plaats om de vraag hoe Flevohof als organisatie kon worden gered, maar hoe zoveel mogelijk waarde uit de resterende bezittingen kon worden gehaald ten behoeve van de schuldeisers.

Ook de gemeente Dronten was schuldeiser

De financiële verwevenheid met de omgeving wordt goed zichtbaar in de stukken van de gemeente Dronten. Op 13 november 1991 liet de curator weten dat de lijst van voorlopig erkende schuldvorderingen ter inzage werd gelegd. Voor de gemeente Dronten werd een concurrente vordering van ƒ108.681,78 erkend.

Een concurrente schuldeiser heeft geen bijzonder voorrecht op specifieke bezittingen van een failliete organisatie. Dronten stond daarmee, voor deze vordering, in beginsel tussen de andere gewone schuldeisers die moesten afwachten hoeveel geld uiteindelijk na verkoop van de boedel beschikbaar zou blijven.

Tegelijkertijd bestonden er ook andere financiële en bestuurlijke relaties rond de Flevohof. De naastgelegen Stichting Land Zonder Drempels was bijvoorbeeld juridisch een afzonderlijke stichting, maar had wel financiële banden met Flevohof. In december 1991 moest de gemeente aan bezorgde vakantiegangers uitleggen dat het faillissement van Flevohof Land Zonder Drempels niet automatisch meesleepte, maar dat gevolgen vanwege die financiële verwevenheid evenmin volledig konden worden uitgesloten.

De curator moest niet alleen verkopen, maar ook innen

Een faillissementsboedel bestaat niet uitsluitend uit spullen die verkocht kunnen worden. Ook bedragen die anderen nog aan de failliete organisatie verschuldigd zijn, behoren tot de boedel. Dat is in november 1991 mooi zichtbaar in correspondentie tussen de curator en de gemeente Dronten.

Terwijl Dronten zelf ruim een ton van Flevohof tegoed had, bleek Flevohof tegelijkertijd nog een bedrag van de gemeente te vorderen. De curator sommeerde Dronten daarom een openstaand bedrag van ƒ8.887,50 te betalen, vermeerderd met rente en eventueel incassokosten.

Dat klinkt op het eerste gezicht bijna merkwaardig: een gemeente die schuldeiser is van een failliete stichting en tegelijkertijd nog geld aan diezelfde stichting moet betalen. Juridisch zijn dat echter afzonderlijke vorderingen. Het illustreert goed hoe gedetailleerd een curator de administratie moet nalopen om uiteindelijk een zo groot mogelijke opbrengst voor de gezamenlijke schuldeisers te realiseren.

Wie koopt een failliete Flevohof?

De verkoop van het complex was waarschijnlijk de belangrijkste beslissing in de eerste maanden na het faillissement. Er stond immers een enorm terrein met gebouwen, infrastructuur en andere bezittingen ter beschikking, terwijl tegelijkertijd rekening moest worden gehouden met bestaande afspraken, rechten van hypotheekhouders en de toekomstige Wereldjamboree van 1995.

Uit de faillissementsstukken blijkt dat de verkoop bepaald niet zonder discussie verliep. De eerste hypotheekhouders wilden aanvankelijk verder met een bod van ongeveer ƒ3,5 miljoen van Voskamp. De curator vond dat een te beperkte procedure en wilde dat ook andere geïnteresseerden een reële mogelijkheid kregen om een bod uit te brengen.

Over de wijze van verkoop ontstond zelfs juridisch verschil van inzicht. Uiteindelijk werd gekozen voor een niet-openbare inschrijving waarbij meerdere mogelijke gegadigden werden benaderd. Achttien partijen kregen de mogelijkheid zich met de Flevohof bezig te houden en zes daarvan brachten uiteindelijk daadwerkelijk een inschrijving uit.

Het hoogste bod kwam van Voskamp Vastgoed B.V. uit Almelo. Voor het onroerend goed werd een bedrag van ƒ3.766.000 geboden. Op 12 december 1991 kon de curator ook aan de gemeente Dronten bevestigen dat Voskamp als koper van het onroerend goed en de inventaris was geaccepteerd.

Het faillissement betekende dus niet dat de Flevohof simpelweg voor één totaalbedrag van eigenaar wisselde. De organisatie werd juridisch uit elkaar gehaald en verschillende onderdelen van de boedel kregen afzonderlijk een waarde.

De Wereldjamboree moest doorgaan

Bij de verkoop speelde één toekomstige gebeurtenis een opvallend grote rol: de Wereldjamboree van 1995. Voor het enorme scoutingevenement waren al eerder afspraken gemaakt over het gebruik van delen van het terrein. Een nieuwe eigenaar kon die verplichtingen niet zomaar negeren.

Daarom werd in de verkoopvoorwaarden expliciet vastgelegd dat de koper medewerking moest verlenen aan de Wereldjamboree en de voorbereidende kampen, voor zover hij niet al rechtstreeks aan de bestaande overeenkomsten was gebonden.

Dat maakte de verkoop van Flevohof ingewikkelder dan die van een gewoon recreatiebedrijf. De koper kreeg niet alleen grond en gebouwen, maar ook een terrein waarop reeds toekomstige verplichtingen rustten. De ontwikkeling van het voormalige park moest daardoor worden afgestemd op een internationaal evenement dat pas enkele jaren later zou plaatsvinden.

Zelfs de naam Flevohof werd verkocht

Een van de meest opvallende onderdelen van de boedel was iets wat niet op het terrein kon worden aangewezen: de naam Flevohof. Na twintig jaar landelijke bekendheid vertegenwoordigde die naam nog steeds een economische waarde.

In de faillissementsafwikkeling werd de naam daarom afzonderlijk verkocht. Daarvoor werd een bedrag van ƒ25.000 exclusief btw betaald. De inventaris van de Flevohof werd voor ongeveer ƒ300.000 verkocht.

Het is een klein detail binnen een miljoenenfaillissement, maar historisch misschien wel een van de meest veelzeggende. Gebouwen konden een andere functie krijgen en landbouwgrond kon worden verkocht of opnieuw verpacht, maar zelfs het woord waaronder miljoenen Nederlanders het park kenden, maakte uiteindelijk als zelfstandig vermogensbestanddeel deel uit van de boedel.

Flevohof was in 1991 nog altijd óók een landbouwbedrijf

Wie alleen naar de latere geschiedenis van Walibi kijkt, zou gemakkelijk kunnen denken dat Flevohof tegen 1991 inmiddels vrijwel volledig een recreatiepark was geworden. De faillissementsstukken laten iets anders zien. Landbouw speelde bij de ontmanteling van de organisatie nog altijd een grote rol.

Er moest worden afgerekend rond landbouwmachines, grond, veehouderij en melkquotum. In de stukken komt onder meer circa 32 hectare grond in relatie tot het melkquotum voor, terwijl daarnaast voor grote oppervlakten grond erfpachtconstructies bestonden. Met transacties rond deze agrarische onderdelen waren bedragen van vele tonnen gemoeid.

Dat sluit aan op de geschiedenis van de voorafgaande twintig jaar. Flevohof had weliswaar steeds meer recreatie, evenementen en commerciële activiteiten ontwikkeld, maar de landbouwkundige infrastructuur was nooit volledig verdwenen. Bij het faillissement moest daarom niet alleen een recreatiebedrijf worden afgewikkeld, maar ook een organisatie die nog altijd daadwerkelijk landbouwgrond, agrarische bedrijven en productierechten bezat of gebruikte.

Waarom ging Flevohof failliet?

De faillissementsstukken zijn bijzonder belangrijk voor de vraag waardoor het uiteindelijk misging, maar ze moeten voorzichtig worden gelezen. Een curator schrijft vanuit de afwikkeling van een faillissement en zijn constateringen zijn niet automatisch hetzelfde als een onafhankelijk historisch onderzoek naar alle oorzaken over een periode van twintig jaar.

Toch noemt de curator een factor zeer nadrukkelijk. In 1992 schrijft hij dat de jaarlijkse subsidiestroom van ongeveer ƒ1,5 tot ƒ2 miljoen plotseling was weggevallen en dat dit het faillissement naar zijn oordeel aanzienlijk had bevorderd.

Dat is een belangrijke constatering. Flevohof was vanaf haar ontstaan namelijk geen gewoon commercieel attractiepark geweest. De organisatie had tevens een maatschappelijke en agrarische doelstelling en onderdelen van het bedrijf waren jarenlang afhankelijk geweest van bijdragen vanuit de landbouwsector en andere betrokken organisaties.

Wanneer zo’n structurele bijdrage wegvalt, moet een steeds groter gedeelte van de totale kosten uit entreegelden, horeca, evenementen en andere commerciële activiteiten worden betaald. Dat probleem was in verschillende vormen al sinds de jaren zeventig zichtbaar geweest. De recreatieve exploitatie moest steeds meer inkomsten genereren, terwijl tegelijkertijd een groot en kostbaar complex met een bredere doelstelling in stand werd gehouden.

Het faillissement van 1991 kwam niet uit het niets. Het was het eindpunt van een veel langer vraagstuk: hoe financier je een landelijke landbouwmanifestatie wanneer die steeds meer als recreatiebedrijf moet functioneren?

Het personeel na het faillissement

Ook voor het personeel betekende het faillissement een abrupte breuk. De reguliere organisatie kon niet simpelweg blijven functioneren terwijl duidelijk was dat de stichting haar verplichtingen niet meer kon nakomen. Tegelijk kon een terrein van deze omvang ook niet van de ene op de andere dag volledig worden verlaten.

Daarom bleef een deel van het personeel tijdelijk actief. Rond vijftig medewerkers werden gedurende de eerste afwikkelingsperiode nog ingezet voor onder meer bewaking, onderhoud en de instandhouding van het complex. Ook enkele medewerkers uit de leiding en administratie bleven nodig om informatie te leveren, lopende zaken af te handelen en de curator bij de boedelafwikkeling te ondersteunen.

Daarmee ontstond een vreemde tussenperiode. Voor het publiek was de oude Flevohof voorbij, maar achter de gesloten poorten ging het werk nog door. Niet meer om bezoekers een dagje uit te bezorgen, maar om het bedrijf gecontroleerd af te bouwen en overdraagbaar te maken.

Voskamp was niet het uiteindelijke verhaal

De verkoop aan Voskamp betekende bovendien niet dat de toekomst van het terrein al vastlag. In de maanden na de verkoop werd nog volop gesproken over nieuwe bestemmingen en recreatieve ontwikkelingen. De gemeente Dronten wist in december 1991 zelfs nog niet of de Flevohof in het voorjaar van 1992 opnieuw voor bezoekers zou openen.

In de loop van 1992 veranderde het beeld. De Belgische Walibi-groep raakte bij het project betrokken. Uit de faillissementsstukken blijkt dat de constructie juridisch iets ingewikkelder was dan de vaak gebruikte formulering dat ‘Walibi de failliete Flevohof kocht’. Voskamp had de activa uit de boedel verworven; vervolgens nam het Walibi-concern de aandelen over van de onderneming waarin die activa terecht waren gekomen.

Op 22 juli 1992 kon de curator melden dat de verkooptransactie was afgerond en dat het Walibi-concern de aandelen van de koper had overgenomen. Vanaf dat moment liep de toekomst van het terrein steeds duidelijker los van de afwikkeling van Stichting Flevohof.

De gebouwen, gronden en recreatieve mogelijkheden konden een nieuw leven krijgen. De schulden, vorderingen en juridische verplichtingen van de oude stichting bleven daarentegen achter in het faillissement.

Twee geschiedenissen vanaf 1992

Vanaf dat moment lopen er eigenlijk twee verhalen parallel. Op de Spijkweg begon een nieuwe eigenaar na te denken over een nieuw recreatiepark. Gemeente en provincie overlegden met Walibi over bestemmingsplannen, bebouwingsmogelijkheden en nieuwe investeringen. Uiteindelijk zou in 1994 Walibi Flevo openen.

Maar daarnaast bleef de oude Stichting Flevohof bestaan in de faillissementsadministratie. Die stichting exploiteerde geen park meer en bepaalde niet langer wat er op het terrein gebeurde. Haar taak was feitelijk teruggebracht tot de juridische afwikkeling van alles wat vóór het faillissement was ontstaan.

Juist daarom behandelen we de ontwikkeling van het terrein tussen 1991 en 1994 afzonderlijk. Voor de bezoeker begint daar het verhaal dat naar Walibi Flevo leidt. Voor schuldeisers en de curator begon ondertussen een veel langduriger traject.

Miljoenen aan erkende schulden

Naarmate de afwikkeling vorderde, kon nauwkeuriger worden vastgesteld welke schuldeisers nog aanspraken hadden. Halverwege de jaren negentig bedroegen de erkende concurrente schuldvorderingen gezamenlijk ruim ƒ3,6 miljoen.

Daar stonden wel opbrengsten uit de verkoop van bezittingen, geïnde vorderingen en andere baten tegenover, maar lang niet genoeg om alle oorspronkelijke schulden volledig te voldoen. Daarnaast moesten uit de boedel uiteraard ook boedelkosten, juridische kosten en andere kosten van de faillissementsafwikkeling worden betaald.

Een faillissement van deze omvang kan daardoor lang voortduren. Een curator kan het dossier niet sluiten zolang er nog procedures lopen, bezittingen moeten worden verkocht, belastingkwesties niet definitief zijn afgewikkeld of onzekerheid bestaat over vorderingen van schuldeisers.

Een faillissement met een zeer lange staart

Dat verklaart waarom de Flevohof juridisch nog jarenlang bleef voortbestaan terwijl op dezelfde locatie inmiddels allang achtbanen en andere attracties van Walibi stonden. Voor het publiek waren Flevohof en Walibi twee opeenvolgende perioden. In administratieve werkelijkheid overlapten het nieuwe park en het oude faillissement jarenlang.

In de jaren na 1992 werden telkens nieuwe financiële verslagen opgesteld. Vorderingen werden beoordeeld, fiscale kwesties afgehandeld, rente berekend en resterende middelen verdeeld. Sommige onderdelen konden relatief snel worden afgesloten, terwijl andere kwesties pas veel later definitief werden.

Daarmee veranderde ook de aard van het dossier. De eerste faillissementsverslagen gaan nog over personeel, landbouwbedrijven, verkoop van gebouwen en de toekomst van het terrein. In latere jaren verschuift de aandacht steeds meer naar bedragen, procedures, schuldeisers en de uiteindelijke verdeling van het overgebleven geld.

2003: twaalf jaar na het faillissement

Pas in 2003 kwam de afwikkeling werkelijk ten einde. In mei van dat jaar werd nog gewerkt aan het definitieve financiële eindverslag en de uiteindelijke uitdelingslijst. Daarmee kon het faillissementsdossier na meer dan elf jaar worden afgesloten.

Ook het Handelsregister laat dat formele einde zien. Stichting Flevohof was in 1967 opgericht en bleef ondanks het faillissement juridisch nog jarenlang geregistreerd. Op 7 juli 2003 werd de inschrijving uiteindelijk uitgeschreven.

Dat betekent dat er bijna twaalf jaar zat tussen het faillissement in november 1991 en het administratieve einde van de stichting. Op de plek waar Flevohof ooit was begonnen als nationale landbouwmanifestatie draaide inmiddels al jaren Walibi Flevo en later Six Flags Holland. Maar ergens in de administratie bestond de oude Flevohof nog altijd.

Het tweede einde van Flevohof

Het faillissement van november 1991 is het zichtbare einde van de oorspronkelijke Flevohof. De poorten sloten, personeel verloor zijn werk en het terrein kwam in handen van nieuwe partijen. Vanuit het perspectief van bezoekers is dat het logische eindpunt van twintig jaar Flevohof.

De faillissementsstukken laten echter zien dat een organisatie niet verdwijnt wanneer het bord bij de ingang wordt weggehaald. De schulden, contracten, bezittingen en rechten die in tientallen jaren waren opgebouwd, moesten één voor één worden afgehandeld. Grond werd verkocht, inventaris kreeg een nieuwe eigenaar, landbouwrechten werden te gelde gemaakt en zelfs de naam Flevohof werd een onderdeel van de boedel.

Daardoor heeft de geschiedenis van de Flevohof eigenlijk twee einddata. 1991 was het einde van de Flevohof als functionerend park en bedrijf. 2003 was het einde van de stichting die er juridisch achter had gestaan.